Watervleermuis

Watervleermuis (© Robert Top)

Watervleermuis (Myotis daubentoni)

Ecologie

De Watervleermuis is een vrij kleine vleermuis met vrij lange, relatief brede vleugels met een spanwijdte van 24 tot 27,5 cm. Het is een soort van halfopen tot gesloten waterrijk en bosrijk landschap. De soort jaagt in min of meer voorspelbare vlakke cirkels, achten en lussen vlak boven het wateroppervlak van beschutte waterpartijen, of aan de beschutte kant van vijvers in landgoederen en parken, kasteel en visvijvers, smalle vaarten en kanalen. Bij windstil weer wordt de beschutting minder belangrijk. Soms vliegt ze ook hoger boven het wateroppervlak en overhangende takken en obstakels leiden tot een grilligere vlucht. Boven land jaagt de Watervleermuis alsof ze boven een oppervlak jaagt, in een horizontaal vlak boven een open plek in het bos, of in gaten tussen de boomkronen. Watervleermuizen vangen insecten, en zelfs larven en poppen, van het wateroppervlak of vlak boven het oppervlak. De prooien worden dan met de

relatief grote achterpoten, als het ware van het water geharkt. Boven de oevers en langs vegetatie worden ook insecten uit de lucht gevangen. Dansmuggen vormen hét belangrijke voedsel en maken tussen 70 en 99 % van de prooien uit, maar er worden ook kleine langpootmuggen, vlinders en kevers gegeten.

De (kraam)kolonies in de zomer zijn vooral bekend van (spechten)gaten in oude bomen, maar worden ook op kerkzolders, in vleermuiskasten, bunkers en oude forten gevonden. In het buitenland worden ze ook in grotten, onder gemetselde bruggen en in moderne betonbruggen gevonden. De paring vindt zover bekend in de winterverblijven plaats. (Kraam)kolonies variëren van enkele tientallen tot meer dan honderd dieren. Zo’n groep bewoont een netwerk van bomen waartussen relatief vaak verhuisd wordt. Leefgebieden van naburige groepen kunnen gedeeltelijk overlappen zonder dat er noemenswaardige uitwisseling tussen die groepen plaatsvindt. Ook de homerange varieert afhankelijk van de ligging van de kolonies ten opzichte van het jachtgebied van 0,5 tot meer dan 10 kilometer. Vliegroutes over land volgen waar mogelijk lijnvormige structuren als bospaden, bosranden, heggen, houtwallen, holle wegen en lanen. Op de vliegroute, maar ook in het jachtgebied, probeert de Watervleermuis lichte plekken en verlichting te ontwijken.

Als winterverblijf worden vooral ondergrondse ruimten, zoals grotten, kalksteengroeven, oude steenfabrieken, bunkers, forten, vestingwerken, ijskelders en kasteelkelders gebruikt. De Watervleermuis is een standvleermuis tot middellange-afstandstrekker. Er zijn terugmeldingen van geringde dieren van 10 tot 250 km bekend.

Verspreiding

De Watervleermuis is in Nederland een tamelijk algemene soort, hoewel zij vrij hoge eisen stelt aan de zomerverblijven (oude holle bomen). In delen van het westen en noorden van het land is de soort daarom schaars. Bron: bSR-rapport 156