Laatvlieger

Laatvlieger (© Dennis Heintz)

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Ecologie

De Laatvlieger is een grote soort met relatief lange en brede vleugels met een spanwijdte van 31 tot 38 cm. Het is een soort van open tot halfopen landschap. De Laatvlieger jaagt in een grillige vlucht met trage vleugelslag, in lange banen met wijde bochten en plotselinge uitvallen in de beschutting van opgaande elementen, zoals bosranden, heggen en lanen, gemiddeld op een hoogte tussen 5 en 20 m. Ze vliegt daarbij op enige afstand van de vegetatie boven (vochtige) grasland gebieden, langs kanalen en vaarten en in tuinen en parken met vijvers. Soms jaagt de soort ook in bos. Bij windstil weer wordt open gebied belangrijker. In de buurt van de bebouwde kom jaagt ze veelvuldig bij straatlantaarns. Laatvliegers vangen insecten hoofdzakelijk uit de lucht, maar pakken soms ook prooien van het gebladerte of van de grond. Ze vangen voornamelijk grotere soorten nachtvlinders, kevers en muggen. De (kraam)kolonies zijn bekend in gebouwen. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, daklijst, onder pannen, of onder het lood rondom de schoorsteen, maar ook wel op zolder. Solitaire mannetjes worden soms achter vensterluiken gevonden. In de paartijd in september/oktober worden vergelijkbare verblijven gebruikt, waarbij plotseling kleine groepjes op plaatsen gevonden worden waar ze in de zomer niet zaten. De (kraam)groepen bestaan meestal uit enkele tientallen, en zelden uit meer dan 150 dieren. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen tot op hooguit enkele timmeringen, achter daklijsten, onder dakpanne, of op zolder ontdekt worden is echter relatief klein. De Laatvlieger geldt als standvleermuis, waarvan verplaatsingen over enkele km tot hooguit 45 km bekend zijn.

Verspreiding

De Laatvlieger is vrij algemeen in Nederland. Landelijk gezien nemen de aantallen van de Laatvlieger af van noord naar zuid, tegenovergesteld aan de talrijkheid van de Gewone dwergvleermuis. In Zuid-Holland komt de Laatvlieger vrij talrijk voor, met name in de open veenweidegebieden en droogmakerijen in het noorden en oosten van deze provincie. Bron: bSR-rapport 156